
Effe serieus, dit wilde ik gewoon een keer kwijt.
Algemeen 321 keer gelezenIn een ooit door talloze wieken doorsneden natuurgebied waar je heerlijk doorheen kon struinen, met kronkelende paadjes en plekken waar je stil kon genieten, heerst tegenwoordig een andere rust. De rust van modder. Heel. Veel. Modder. Of eigenlijk; een bewegingloze meurende drab van verzopen struiken en rottende boomstronken waarin bladloze bomen hun kale takken moedeloos omhoog proberen te houden.
En ja, dat danken we aan een nietig groepje fanatieke, zwaar gesubsidieerde milieuridders met een missie. Geen kleine missie. Nee; een grootse visie! Zij besloten dat dit gebied “hersteld” moest worden. Niet voor mensen van nu, maar voor een onooglijk mosje dat, als alles meezit, misschien ooit veen vormt. Tenminste, als ze de boeren in de buurt weg kunnen krijgen en als het grondwater niet zakt. Want gewapend met laarzen, beleidsplannen en indrukwekkende budgetten trokken ze ten strijde tegen… droge grond.
“Water is toekomst!” riepen ze, terwijl ze dammen opwierpen, bomen omzaagden en het hele gebied veranderden in een natte prut. Waar wij als kinderen rondzwierven, zakken nu alleen nog verdwaalde ganzen weg tot hun knieën. Bezoekers zijn er nog; althans, dat proberen ze. Ze komen aan met goede moed, wandelschoenen en een thermoskan koffie, om na vijf minuten vast te stellen dat ze terecht zijn gekomen in een zompig moeras dat zelfs laarzen wantrouwt.
Gelukkig is er een oplossing: brede kaarsrechte paden. Die lopen als landingsbanen door het gebied en geven je het gevoel dat je over een industrieterrein loopt, maar dan met meer water en minder logica. Alsof dat nog niet genoeg is, staan her en der grote gegalvaniseerde hekken. Voor de natuur. Want niets zegt beter “ongerepte wildernis” dan een hek.
Bordjes waarschuwen: “Kwetsbaar gebied, niet betreden!” Die zijn niet nodig, want dat lukt sowieso niet meer. De groenzoeters zijn tevreden. Ze staan op een kaarsrecht verhard fietspad en kijken trots uit over hun creatie. “Zie je dat plasje daar?” zegt er één. “Daar zou ooit weleens veen kunnen ontstaan.”
Zijn collega knikt ernstig. “Indrukwekkend. Echt toekomstgericht.” En zo is het gebied gered. Van toegankelijkheid, van recreatie, en vooral van zichzelf. Alle beesten groter dan een kikker zijn er weg, iedereen die er kon genieten ook. Maar ergens, diep in die van muggen vergeven vervloekte blubber, groeit dan dat verrekte plantje dat ooit iets groots zou moeten worden. Over duizend jaar of zo. Tot die tijd is het er vooral nat. Kletsnat en doodstil. Het ga u bijzonder en mij ook.















